De insolventie betekent volgens de Van Dale: “onmacht om zijn geldelijke verplichtingen na te komen”. Het insolventierecht ziet in de kern op het voorkomen respectievelijk stroomlijnen (van de gevolgen) van het onvermogen van een rechtssubject, een natuurlijke persoon of rechtspersoon, om zijn financiële verplichtingen na te komen. Het insolventierecht omvat de drie rechtsinstrumenten uit de wet, te weten het faillissement, de surseance van betaling en de toepassing van de Wettelijke Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen (WSNP)

Faillissement
De schuldenaar die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van één of meer van zijn crediteuren, bij rechterlijk vonnis failliet verklaard. De faillietverklaring kan ook worden uitgesproken om redenen van openbaar belang op verzoek van het Openbaar Ministerie. Onder het faillissementsbeslag valt het gehele vermogen van de schuldenaar met inbegrip van vermogensbestanddelen die zich in het buitenland bevinden. Dit vermogen strekt ten bate van alle gezamenlijke crediteuren van de schuldenaar. De curator, welke door de rechtbank wordt aangesteld, is belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. De rechter-commissaris, een lid van de rechtbank, houdt hierop toezicht. Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn vermogen. De curator moet terstond door “alle nodige en gepaste middelen” zorgdragen voor de bewaring van de boedel en neemt onmiddellijk de bescheiden, gelden, kleinodiën (bijvoorbeeld juwelen), effecten en andere papieren van waarde onder zich en doet, zo dit nodig is, de boedel verzegelen. De curator maakt tevens een boedelbeschrijving alsmede een staat van baten en lasten. Hoofdzaak is vast te stellen welke crediteuren de schuldenaar heeft en of hun vorderingen al dan niet bevoorrecht zijn. De schuldeisers dienen bij de curator daartoe hun vordering ter verificatie in te dienen. De curator zal vervolgens overgaan tot vereffening en tegeldemaking van de baten, zo die er zijn. Zodra dit heeft plaatsgevonden zal de curator een uitdelingslijst opmaken. In de eerste plaats worden de faillissementskosten en boedelschulden betaald. Daarna worden de bevoorrechte schuldeisers (vaak de bank en de fiscus) voldaan. Het restant wordt verdeeld onder de concurrente schuldeisers. Het merendeel van de faillissementen wordt echter opgeheven bij gebrek aan baten, wat inhoudt dat de faillissement- en boedelkosten de baten overtreffen, zodat een uitkering achterwege blijft. In de praktijk wordt de faillissementsaanvraag door schuldeisers nog wel eens gebruikt als incassomiddel. Het verhoogt namelijk de druk bij debiteuren om alsnog tot betaling over te gaan.

Surseance van betaling
De schuldenaar die voorziet dat hij met het betalen van zijn opeisbare schulden niet zal kunnen voortgaan, kan bij de rechtbank surseance van betaling aanvragen. De surseance van betaling ziet op de verlening van een algemeen uitstel van betaling aan de schuldenaar, waarbij gepoogd wordt tegemoet te komen aan een tijdelijk, in beginsel op kortere termijn oplosbaar liquiditeitsprobleem. In tegenstelling tot een faillissement ziet de surseance van betaling op ondernemingscontinuïteit met behoud van activa, in plaats van liquidatie ten behoeve van de crediteuren. De rechtbank benoemt een bewindvoerder die samen met de schuldenaar het beheer over diens zaken zal voeren. Gedurende de surseance is de schuldenaar onbevoegd enige daad van beheer of beschikking betreffende de boedel te verrichten zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerder.

Wettelijke Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen (WSNP)
Sinds 1998 bestaat voor natuurlijke personen met problematische schulden de mogelijkheid om een beroep te doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP). Toelating tot deze regeling geschiedt op verzoek van de schuldenaar zelf door de rechtbank. Wanneer de schuldenaar zich gedurende de looptijd van de schuldsanering aan een aantal regels houdt zal de rechtbank bij beëindiging van de schuldsanering een zogenaamde schone lei verlenen. Dit heeft tot gevolg dat de schulden die dateren van voor de schuldsanering niet langer in rechte opeisbaar zijn. De schuldsanering duurt normaal drie jaar. De door de rechtbank benoemde bewindvoerder zal aanwezige waardevolle bezittingen en bovenmatige inboedel verkopen. Daarnaast moet de schuldenaar zich maximaal inspannen om een zo hoog mogelijk inkomen uit arbeid te verkrijgen. Van dit inkomen mag een bedrag worden gehouden om in het meest noodzakelijke levensonderhoud te voorzien. Alle inkomsten boven dit vrij te laten bedrag gaan naar de boedel. Het zo bijeengebrachte geld wordt – na aftrek van kosten – aan het eind van de schuldsanering door de bewindvoerder aan de schuldeisers uitgekeerd.

Advocaten Insolventierecht